In Nederland zijn we dol op het theater. Dat merk je goed aan de verschillende vormen van theater die je in ons land tegenkomt, zoals toneelstukken, cabaretshows, musicals, jeugdtheatervoorstellingen en ook muziek- of dansvoorstellingen.
Wist je dat er in Nederland maar liefst 678 theaters zijn? Dat zijn vaak grote theaters, zoals het Circustheater in Scheveningen, het Nieuwe Luxor in Rotterdam en het Prinses Beatrix Theater in Utrecht. Misschien ben je er weleens geweest voor een musical of een grote theatervoorstelling.
Maar er zijn ook veel kleinschalige theaters, vaak in de wijk of de buurt. Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan Theater De Regentes in Den Haag of het Rotterdams Wijktheater. In deze theaters zit je dicht bij de spelers en voelt de voorstelling heel persoonlijk. Hier spot je vaak ook beginnende artiesten of theatergroepen, erg leuk!
In het bekendste theater van Nederland, Koninklijk Theater Carré in Amsterdam, hebben veel grote Nederlandse artiesten opgetreden. Ook internationale sterren hebben daar op het podium gestaan. Maar theater is er niet alleen voor bekende namen. Juist de kleine voorstellingen laten vaak verhalen zien die dicht bij het dagelijks leven staan.
Nederlanders zijn zelfs zó dol op theater dat er elk jaar ook een aantal theaterfestivals zijn. Een bekend voorbeeld is De Parade, een rondreizend theaterfestival dat elk jaar in verschillende steden plaatsvindt. Je ziet er korte voorstellingen, eet iets lekkers en zit gezellig buiten. Ook is er het Nederlands Theater Festival, waar de beste voorstellingen van het jaar worden getoond. Helaas zijn deze festivals alleen in de zomer, dus je moet misschien nog even geduld hebben! Wil je ondertussen meer lezen over theater? Dan kun je kijken op de website van de Theaterkrant. Daar vind je alles over theatervoorstellingen, recensies en achtergrondinformatie.
Met zoveel theaters zijn er natuurlijk ook veel artiesten en theatergezelschappen. Twee bekende voorbeelden van grote gezelschappen zijn Het Nationale Theater (HNT) en Internationaal Theater Amsterdam (ITA). Ze maken voorstellingen die in heel Nederland en soms ook in het buitenland te zien zijn.
Vind jij het leuk om naar het theater te gaan?
Opdracht: Vul het juiste woord in. Gebruik de woorden uit de woordbank.
Woordbank:
podium – theater – voorstelling – theatergebouw – kleinschalige – serieus – persoonlijker – bijgebleven – rondreizend – bekende
Oefening 1: vocabulaire[i]
- Een plek waar toneel wordt gespeeld, heet een __________.
- In Nederland zijn er veel grote, __________ theaters.
- In het theater staan acteurs op het __________.
- Een verhaal dat live op het podium wordt gespeeld, noem je een __________.
- Carré is een bekend __________ in Amsterdam.
- Sommige theatervoorstellingen zijn grappig, andere juist __________.
- In een klein buurttheater voelt een voorstelling vaak __________, dan in een groot theater.
- Na de voorstelling praten mensen over wat hen is __________.
- De Parade is een __________ festival dat elk jaar in verschillende steden plaatsvindt.
- In de wijk zie je vaak __________ theaters.
Oefening 2: grammatica – voltooid tegenwoordige tijd[i]
Opdracht: Zet het werkwoord in de juiste vorm (voltooid tegenwoordige tijd).
- Ik __________ al een paar keer naar een theatervoorstelling __________. (gaan)
- We __________ samen een mooie voorstelling __________. (zien)
- De acteurs __________ het verhaal overtuigend __________. (spelen)
- Na afloop __________ we met elkaar over de voorstelling __________. (praten)
- Het publiek __________ hard __________ tijdens de voorstelling. (lachen)
- Ik __________ veel nieuwe woorden __________ in het theater. (leren)
- De voorstelling __________ mij erg __________. (raken)
- We __________ na afloop van de voorstelling hard __________. (klappen)
- Mijn man __________ voor mij een kaartje voor de voorstelling __________. (kopen)
- Ik __________ dat theatergebouw nog nooit __________. (bezoeken)
[i] Antwoorden opdracht 1: 1. theater; 2. bekende; 3. podium; 4. voorstelling; 5. theatergebouw; 6. serieus; 7. persoonlijker; 8. bijgebleven; 9. rondreizend; 10. kleinschalige.
[i] Antwoorden opdracht 2: ben … gegaan; 2. hebben … gezien; 3. hebben … gespeeld; 4. hebben … gepraat; 5. heeft … gelachen; 6. heb … geleerd; 7. heeft … geraakt; 8. hebben … geklapt; 9. zijn … gekocht; 10. heb … bezocht.











